Eve Bouyer

Le non-illusionnisme en conservation-restauration : sortir de la justification basée sur la dualité esthétique/historique


 Eve Bouyer

 

La communication a pour intention de développer les raisons fondamentales qui poussent à choisir une option non-illusionniste en conservation-restauration. Les recherches ont permis d’en identifier quatre, à savoir : le caractère hypothétique de la réintégration, la proportion importante de manques, la signifiance des pertes de matière et le facteur économique. Le caractère hypothétique de la réintégration semble être la raison la plus connue et fut d'ailleurs évoquée dans la Charte de Venise. C’est probablement principalement à celle-ci que l'on doit l’apparition du non-illusionnisme au XIXe siècle.

Le fait que les manques représentent proportionnellement une partie importante de l'objet doit être distingué de la raison précédente. En effet, il peut manquer plus de la moitié d'un objet sans que cela amène forcément de conjecture quant à sa réintégration.

La signifiance des pertes de matière s’apparente au respect de l'histoire matérielle, mais à vrai dire, elle le transcende : certaines pertes de matière sont en effet indubitablement signifiantes de l'histoire de l'Humanité elle-même et non pas simplement de celle de l’objet.

Par rapport à ces raisons profondément morales d’opter pour le non-illusionnisme, le facteur économique pourrait sembler à première vue trivial, néanmoins il est aussi teinté d’éthique, surtout lorsque l'on considère les institutions muséales, puisqu’une partie du budget alloué à la restauration de leurs collections pourrait utilement être réaffecté à la conservation.

Face à ces raisons fondamentales se trouve la question des valeurs attribuées à l'objet qui est amené à être restauré. La justification des choix de réintégration se cantonne souvent aux valeurs esthétiques et historique, conformément au modèle proposé par Cesare Brandi. Mais à l'heure où la conservation-restauration traite non seulement des oeuvres d'art mais plus largement des biens culturels, ces valeurs et leur systématique opposition manquent parfois de pertinence.

En effet, d’autres valeurs semblent avoir autant si pas davantage d’influence sur les choix relatifs aux degrés de restauration. C’est le cas par exemple des valeurs utilitaire, rituelle, associative ou de rareté.

 

Het non-illusionisme in conservatie-restauratie: de verantwoording op basis van de dualiteit esthetisch/historisch overstijgen

 

Eve Bouyer

 

Deze lezing wil de fundamentele redenen omschrijven die leiden tot de keuze voor het non-illusionisme in de conservatie-restauratie. Het onderzoek kon er vier definiëren:  het hypothetisch karakter van de re-integratie, de grote hoeveelheid aan lacunes, het belang van verlies aan materie en de economische factor. Het hypothetisch karakter van de re-integratie wordt het vaakst vermeld en die wordt ook aangehaald in het Charter van Venetië. Het is waarschijnlijk deze reden die in de XIXe eeuw voor de opkomst van het non-illusionisme zorgde.

Het feit dat de lacunes proportioneel een groot deel uitmaken van het object moet onderscheiden  worden van de vorige reden. Er kan inderdaad soms meer dan de helft van een object ontbreken zonder dat dit noodzakelijk leidt tot een hypothetische re-integratie.

De betekenis van het verlies aan materie heeft te maken met het respecteren van de materiele geschiedenis, maar het overstijgt deze: soms is materiaalverlies zelfs ongetwijfeld betekenisvol voor de geschiedenis van de mensheid en niet alleen van het object zelf.

In het opzicht van deze fundamentele morele redenen om te kiezen voor het non-illusionisme lijkt de economische factor op het eerste gezicht triviaal te zijn, al is zelfs deze ook gekleurd door een zekere ethiek. Dit geldt vooral voor museale instellingen, omdat een deel van hun budget dat voorzien is voor restauratie van de collectie ook nuttig zou kunnen gebruikt worden voor de conservatie ervan.

Tegenover deze fundamentele redenen staat de vraag van de waarde die aan een te restaureren object wordt toegekend. De rechtvaardiging van de keuze van re-integratie beperkt zich dikwijls tot de esthetische en historische waarden, conform aan het model voorgesteld door Cesare Brandi. Maar in deze tijd, waar de conservatie-restauratie zich niet meer beperkt tot  kunstwerken maar tot het geheel van het cultureel erfgoed, is de systematische aftoetsing van deze waarden soms niet meer zo relevant.

Andere waarden lijken inderdaad evenveel of zelfs meer invloed te hebben op de keuze van de graad van interventie bij restauraties. Het gaat dan bijvoorbeeld over gebruikswaarden,  rituele of associatieve waarden of de zeldzaamheidswaarde van een object.